Bug gezien? Opmerkingen? Contacteer ons!

Biografie

August De Boeck en Merchtem

Frank Teirlinck

Verbonden met zijn geboortestreek

August De Boeck werd in 1865 te Merchtem geboren en zou er 72 jaar later overlijden. Heel zijn leven lang bleef hij sterk verbonden met zijn geboortestreek. Het was te Merchtem dat hij voor het eerst het orgel bespeelde om zijn vader Florimond te vervangen en reeds op 15-jarige leeftijd vonden we hem terug in de muziekvereniging "Concordia". In 1865 ontstond deze maatschappij als zangvereniging en werkte nauw samen met de "Harmonie Sint-Cecilia", die in 1780 was gesticht. Jozef Briers, grootvader van August van moederskant, was fluitist en vanaf 1830 dirigent van de harmonie. Hij was tevens organist van de dorpskerk. In 1880 werd de zangmaatschappij omgevormd tot een "Fanfaremaatschappij" en enige tijd later werd Florimond er dirigent. August De Boeck werd in 1883 vermeld als onderbestuurder van de "Fanfare". De "Harmonie Sint-Cecilia" bracht in 1884 een serenade aan August De Boeck die op 18-jarige leeftijd aan het Brussels conservatorium een eerste prijs voor orgel had behaald. August had dus in zijn jeugd banden met beide maatschappijen, die mede door de schoolstrijd politiek sterk verschillend gekleurd werden en een diepe breuk sloegen in het dorpsleven.

P. FEYTENS, Koninklijke Harmonie Sinte-Cecilia van Merchtem 1780-2005. Merchtem, 2005.

Tijdens zijn jeugd stichtte De Boeck te Merchtem de zangroep "De Melomanen", die verscheidene nachtelijke serenades en fratsen op hun actief hadden. Toen zijn boezemvriend, de onderwijzer Jan De Smedt (1866-1919) - die verschillende teksten voor zijn cantates schreef - trouwde, zou De Boeck de mis opluisteren met orgelspel: vanaf de intrede tot het slot van de mis werd het een schitterende en plezierige improvisatie op één thema uit een lied dat Jan zong op de vergadering bij "De Melomanen": "Ik veeg mijn botten aan heel den boel."

"Ik veeg mijn botten aan heel den boel."

August De Boeck stond bekend als een schitterend improvisator op het orgel: een gekende melodie op het orgel spelen en bij elke maat van toonaard veranderen, een halve toon hoger, om het stuk een paar octaven hoger te eindigen dan het begin, en dit met een verbluffend brio zonder één aarzeling. De Boeck had het geleerd in de tijd toen hij organist was te Merchtem. Pastoor Leva had niet het minste muzikaal gehoor en begon zijn prefatie (Dominus vobiscumÉ) steeds heel laag om, met de laatste adem, heel hoog te eindigen én Gust - zoals De Boeck te Merchtem werd genoemd - moest volgen op het orgel.

J. VAN DER HAMEYDE, In Memoriam August De Boeck in Eigen Schoon en De Brabander, XX, 1937, overdruk, p. 7-9.

Toen Gust in 1895 ontslag nam als organist te Merchtem vestigde hij zich, samen met zijn twee ongetrouwde zusters, te Brussel. Hij verbrak echter nooit het contact met zijn geboortedorp. In 1902 kocht hij te Merchtem een landelijke woning, die hij gedeeltelijk liet verbouwen. Rond het woonhuis kwam een uitgestrekte, prachtige tuin. Zo verwezenlijkte De Boeck een wens die hij als volgt formuleerde: "Indien ik rijk was zou ik twee woningen bezitten: één door iedereen gekend en waar men mij nooit aantreffen zou, de andere waarvan niemand het adres weet en waar ik bij voorkeur zou verblijven opdat men mij met rust late".

M. HAUTIER, Auguste de Boeck. Nivelles, 1924.

Toen in 1905 te Merchtem het 550-jarig jubelfeest van O.L.Vrouw-ter-Nood werd gevierd, componeerde De Boeck een Huldezang aan O.L.Vrouw-ter-Nood op tekst van Jan De Smedt. In deze wondermooie cantate drukte hij al zijn liefde voor zijn geboortedorp uit. Ze werd onder zijn leiding te Merchtem uitgevoerd in 1905, 1928 en 1930. Bij elk jubileumjaar, de laatste maal was dit in 2005, wordt deze cantate nog steeds enthousiast gezongen zodat ze van generatie tot generatie wordt doorgegeven.

In 1909 stichtte De Boeck te Merchtem, samen met enkele vrienden, "De Vlaamsche Kring", een bloeiende cultuurvereniging. Zij beschikte over een openbare bibliotheek en organiseerde concerten en voordrachten.

Ondanks zijn drukke bezigheden vertoefde hij het liefst in zijn geboortedorp.

Na zijn benoeming in 1921 tot directeur van het Mechels Conservatorium, verhuisde hij, enige tijd later, van Brussel naar Mechelen. Ondanks zijn drukke bezigheden vertoefde hij het liefst in zijn geboortedorp, waar zijn zus Florentine het huis bewoonde.

In Merchtem was Gust voorzitter van de toneelkring "Onder Ons" en geregeld was hij met zijn vrienden terug te vinden in de herberg "In De Pilsen". In die herberg luisterde hij naar de anekdoten en belevenissen van zijn dorpsgenoten. In het najaar kon hij in een schuur zitten kijken naar de wanmolen en de dorsers, en luisteren naar de verhalen die de boeren vertelden. Muzikaal vertolkte hij dit in zijn laatste orkestraal werk In de Schuur met als ondertitel Peerke vertelt een historieke. De Boeck was een folklorist en had een levendige belangstelling voor het Brabantse volksleven. Hij was sinds 1911 een trouwe lezer van het tijdschrift "Eigen Schoon" en vanaf 1926 van "Eigen Schoon en De Brabander" en behoorde tot het "eerekomiteit" van het "Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant". In 1927 organiseerde dit genootschap een eerste gouwdag te Merchtem met een tentoonstelling over de plaatselijke oudheidkunde, geschiedenis en folklore. De "Koninklijke Harmonie Sint-Cecilia" zorgde bij de opening ervan voor een concert waarop uitsluitend werk van De Boeck werd gespeeld.

In 1929 componeerde De Boeck de Missa in honorem B.M.V. Perdolentis naar aanleiding van het 575-jarig jubileum van O.L.Vrouw-ter-Nood te Merchtem in 1930.

J. VAN DER HAMEYDE, o.c., p. 13. De auteur vermeldt August De Boeck als ere-voorzitter maar in werkelijkheid behoorde hij samen met een 3-tal anderen tot het ÔeerekomiteitÕ.

In 1930 bereikte De Boeck de leeftijdsgrens van 65 jaar en trok hij zich definitief terug te Merchtem, waar hij tot dan toe slechts zijn vrije dagen had doorgebracht. "Toen Meester De Boeck op rust kwam en het Ere-voorzitterschap der Koninklijke Harmonie aanvaardde, beleefde onze Maatschappij moeilijke tijden, we doorworstelden 'n crisis en we mogen zeggen dat het dank was aan de gemoedelijkheid van Meester De Boeck dat de Harmonie er opnieuw boven op kwam. Hij, de Meester met zijn wereldfaam, gewaardigde zich de wekelijksche vergaderingen bij te wonen, hij wist de muzikanten aan te moedigen en er kwam als een nieuw leven in de Harmonie. Niet alleen genoten we van Meester De Boeck zedelijken steun, doch ook financieel steunde hij zonder tellen". Na de herhalingen vergastte hij de muzikanten, in groepjes, bij hem thuis op wijnavonden. Voor zijn muzikanten schreef hij marsen, polka's en walsen.

Verslagboek Koninklijke Harmonie St. Cecilia in Archief Harmonie.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1932 was De Boeck kandidaat en hij behaalde 207 naamstemmen. Hij werd gemeenteraadslid van Merchtem en bleef dit tot aan zijn dood. De Boeck had geen interesse in politiek, maar had zich laten overhalen door zijn vrienden van de "Harmonie" om zich op hun lijst te laten plaatsen. Zo zou hij slechts één zitting van de gemeenteraad bijgewoond hebben, omdat hij tot de slotsom was gekomen dat zijn aanwezigheid geen zin had, aangezien zijn partij toch in de minderheid was, want de partij van de "Fanfare" was aan de macht. Gust had nu volop tijd om zijn hobby's uit te oefenen: bloemenliefhebber, fruitkweker, tuinier en duivenmelker.

Gust was een natuurvriend. Iedere lente en zomer brachten de bloemenweelde en rijkdom van de gewassen hem opnieuw in verrukking. In zijn tuin bezat hij een grote variëteit aan bomen, struiken en bloemen. Zijn voorkeur ging vooral naar dahlia's, rozen en grote zonnebloemen. Hier vond hij de rust en inspiratie om zijn mooiste werken te componeren. De Boeck heeft de bloemen trouwens schitterend bezongen in zijn cantate Gloria Flori en in zijn opera Winternachtsdroom.

Voor de Eerste Wereldoorlog was er te Merchtem een kring van tuinliefhebbers, die alle jaren met de kermis een plaatselijke tentoonstelling inrichtte. De Boeck exposeerde alle jaren fruit en bloemen. In 1909 behaalde hij ermee allemaal eerste prijzen. "Als ge Gust De Boeck door de straten onzer stad ziet loopen, met een regenscherm onder den arm - zelfs als 't regent - dan is hij op zijn Zondagsch gekleed en ge bemerkt aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en stap, dat hij in dit pak niet thuis is. Maar zooals hij hier gelichtprent staat op 't onverwachts in zijnen tuin te Merchtem getrokken, dat is de ware, de natuurlijke echte De Boeck".

De Rechte Weg, Antwerpen, 9 oktober 1909.

De Boeck had steeds veel gereisd in de meeste Europese landen en zijn laatste levensjaren bracht hij de winter het liefst door in het Zuiden. Hij kon genieten van een rijkelijk voorziene tafel en kon een glaasje oude bourgogne met kennis van zaken waarderen. Als verstokte vrijgezel genoot hij van vrouwelijk gezelschap. Zijn stemmige woning had hij ingericht met oude stijlmeubelen en doeken van bekende schilders zoals James Ensor en Marten Melsen, die tot zijn vriendenkring behoorden. De avond voor zijn dood had De Boeck, tegen de raad van zijn huisarts in, deelgenomen aan een overvloedig feestmaal. 's Morgens werd hij op straat onpasselijk en liet hij zijn trouwe vriendin mevrouw Violon Van Ginderachter uit Brussel overkomen. Zij was erbij toen hij in de namiddag ten gevolge van een hartaderbreuk overleed op 9 oktober 1937. Op zijn klavier werd een Gebed voor viool en piano gevonden. Begin oktober had de proost van de kajotters van de parochie, ter gelegenheid van een feestavond, de meester gevraagd een werkje voor viool en piano te schrijven. Met dit Gebed werd het leven van August De Boeck besloten. "Merchtem beminde Meester August De Boeck en droeg hem als een zonnekind".

De Merchtemsche Gazet, 24 oktober 1937.

August De Boeck and Merchtem

Frank Teirlinck

August de Boeck was born in the Brabant village of Merchtem, the son of a sexton-organist. In 1880, at age 15, he was sent to the Royal Conservatory of Music in Brussels. There he studied solf?ge, harmony, counterpoint and fugue, and arrived in the organ class of the famous Alphonse Mailly, where in 1881 he obtained the virtuosity prize (then called ‘diplôme de capacité’). From 1892 to 1895 he succeeded his father in Merchtem. Starting in 1894 he was incumbent organist of St Boniface in Elsene, and in 1900 also of the Carmelites church in Brussels. His entire subsequent career took quite a steady course, characterised by a succession of appointments in music education. In 1909 De Boeck was appointed as teacher of harmony at the Royal Flemish Conservatory of Music in Antwerp, succeeding Paul Gilson. In 1920 he requested and secured his transfer in the same function to the Royal Conservatory of Music in Brussels. That year he was also elected as a member of the Royal Academy of Belgium. A final appointment followed in 1921 when he became director of the Municipal Academy of Music in Mechelen (on this occasion promoted to Municipal Conservatory). His management brought this institution to renewed prosperity.

His management brought this institution to renewed prosperity.

As a composer August de Boeck has left a large oeuvre of about 350 titles. De Boeck developed his full talents rather late in life. The contact in 1889 with his contemporary, the brilliant Paul Gilson, turned out to be crucial. A close friendship ensued, during which De Boeck in fact became Gilson’s private student for orchestration and theory of musical forms.

De Boeck developed his full talents rather late in life.

With the Dahomese Rhapsody [1893], to this day one of the favourite pieces in the Flemish orchestral repertoire, he established his reputation. A Symphony in G minor followed in 1896. The years to come he passed over the pure orchestral music and focused on the opera. After the successes of Jan Blockx and Emile Wambach indeed not a season went by in the Flemish Opera without the creation of Flemish works. Still before the First World War the Flemish Opera brought in front of the footlights no less than four of De Boeck’s scores: Théroigne de Méricourt (libretto by Léonce du Catillon) in 1901; Méricourt (libretto by Léonce du Catillon) in 1901; Winternachtsdroom (Winter Night’s Dream, of the same librettist) in 1902, Rijndwergen (Rhine Dwarfs, Pol de Mont) in 1906, and Reinaert de Vos (Reynard the Fox, Raf Verhulst) in 1909.

La Route d’Emeraude is considered by most connoisseurs to be De Boeck’s masterpiece.

During and right after the First World War De Boeck wrote his final opera: La Route d’Emeraude (Emerald Route, libretto by Max Houtier after the homonymous novel of Eugène de Molder), on a French text, although the story is set in the Netherlands. Probably also for this reason the then director of the Royal Flemish Opera refused to stage the piece. The creation took place in the Grand Théâtre at Ghent in 1921. Already that same year the Théâtre Royal at Antwerp followed suit. Each time the success was quite considerable. In 1926 also the Théâtre Royal de la Monnaie in Brussels included the work in its repertoire. Later it did actually get accepted in the Royal Flemish Opera in Antwerp under the name of Francesca, in a Dutch translation. La Route d’Emeraude is considered by most connoisseurs to be De Boeck’s masterpiece.

De Boeck’s orchestral works are not quite numerous

Remarkably enough, after La Route d’Emeraude August De Boeck returned to the orchestra, with titles such as Fantasie op twee Vlaamse Volkswijzen (Fantasy on two Flemish Folk Tunes) [1923], Concerto voor Hans-klavier en orkest (Concerto for Hans Keyboard and Orchestra) [1929], Nocturne [1931], Violin Concerto [1932] and the symphonic poem In de Schuur (In the Barn) [1937]. De Boeck’s orchestral works are not quite numerous but relatively speaking they are still performed most frequently and are generally of excellent quality.

Three of De Boeck’s opera scores enjoyed a brilliant success.

As is the case for the majority of his Flemish contemporaries, vocal music takes up the greater part in his oeuvre. Three of De Boeck’s opera scores enjoyed a brilliant success, to Flemish standards: the short fairy opera Winternachtsdroom (Winter Night’s Dream) , the freedom epic Reinaert de Vos (Reynard the Fox), and the above mentioned la Route d’Emeraude (The Emerald Route). These pieces had also frequent reruns in our theatres after their creation. However, all the rest has completely been forgotten, a fate that also befell his ballets and operettas. Likewise a whole series of cantatas and children’s cantatas have disappeared from view.

In addition De Boeck composed some one hundred songs, partly on Dutch and French texts.

Fairly large is the amount of sacred works, for sure including a great deal of faded consumer music, yet also little treasures like the motet O Beata Mater or the still popular unison Mass in B minor. In addition De Boeck composed some one hundred songs, partly on Dutch and French texts.

Though De Boeck himself was an excellent organist and improviser, he has written very little for his instrument.

As to the instrumental music, the majority are piano works: concise, sometimes very nice evocative pieces labelled Humoresque, Menuet, Prelude, Scherzo, Toccata or Enfantines. Though De Boeck himself was an excellent organist and improviser, he has written very little for his instrument. One piece, however, certainly ought to be mentioned, the Allegro con fuoco [1897], which belongs to the best of Flemish music and is worth being judged to international standards. His chamber music is restricted to a Cello Sonata and a number of short pages for solo instruments with piano accompaniment. Conversely, he composed quite a lot of music for symphonic wind band and brass band.

In his initial period he was evidently charmed by the Russian national school.

Like all his Flemish contemporaries De Boeck remained a romantic in heart and soul. In his initial period he was evidently charmed by the Russian national school. From some of De Boeck’s opera pages dating back to the first decade of the 20th century can be inferred that he wasn’t indifferent to Wagner, but compared to many composers of his generation, like Gilson in Prinses Zonneschijn (Princess Sunshine), the tracks of Wagnerism remained surprisingly scarce indeed. At least just as strong was the influence of verismo, which can still be felt in La Route d'Emeraude. Some songs, as well as the marvellous Nocturne for Orchestra refer to French impressionism. But of course there is also a typical “Flemish” aspect. He has never made an attempt to disguise his admiration for Peter Benoit. His oeuvre doesn’t show any great shocks or sensational innovations, yet altogether he has never been a slavish epigone of any whim of fashion.

He mainly had to depend on his great talent.

The quality of his works has often been judged as rather unequal. De Boeck wasn’t a seeker nor was he tormented by artistic or metaphysical problems. Consequently he was blamed for lacking wide intellectual interests and a sense of criticism, as for example in the choice of literary texts. He mainly had to depend on his great talent, while having refined the pure musical craftsmanship with Gilson. As a man of feeling and a friend of nature spontaneity was his great strength. He excels in short pages and is actually somewhat short of breath or poor in structure. In piano miniatures and songs he is at his best. An unconstrained musicality, a natural expressive power, sense of humour and of colour, a good share of common sense to boot won him quite a large public success. Decades after his death his best works appear to have better chances to be programmed than many a weighty albeit perhaps better-structured or “progressive” piece of music.

Een schets uit het leven en werk van August De Boeck, Brabants componist

Frank Teirlinck

Onderstaand stuk is slechts een deel uit het volledige werk. Download de volledige tekst in PDF-formaat (10.47mb)

karikatuur

August De Boeck werd geboren te Merchtem op 9 mei 1865 als zoon van Florentinus (1826-1892) en Petronella Amelia Briers (1821- 1895). Vader was dorpsorganist en regionaal agent voor de financiële instelling Langrand. Ten gevolge van het bankroet van Langrand in 1871 werd hij een totaal geru?neerd man. Hij betaalde persoonlijk al de sommen terug die hem waren toevertrouwd.

Vader De Boeck ontdekte al vrij vlug de muzikale aanleg van zijn zoon, gaf hem zijn eerste muzieklessen en liet hem regelmatig les volgen bij bekende musici-organisten uit de streek: Benoit Vereertbrugghen uit Opwijk en Jozef Vastersavondts uit Asse. Nadien genoot hij grondig onderricht aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel. Hij studeerde harmonie bij Joseph Dupont, contrapunt en fuga bij Hubert Ferdinand Kufferath en orgel bij Alphonse Mailly en behaalde er eerste prijzen. In 1891 behaalde hij ook de virtuositeitprijs voor orgel. Orkesttechniek en compositie studeerde hij bij zijn vriend en privé-leraar Paul Gilson (1865-1942).

karikatuur

De Boeck kende een lange loopbaan in het muziekonderwijs. Hij begon als pianoleraar aan de toenmalige bekende kostschool Lindemans te Opwijk (1883-1898) en was reeds in zijn studietijd monitor voor orgel bij zijn leermeester Mailly (1886-1903). De Boeck werd leraar harmonie aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen (1909-1920) en aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel (1920-1930). Onder zijn voornaamste leerlingen bevonden zich te Antwerpen August L. Baeyens, Jef Van Hoof, Renaat Veremans, Arthur Verhoeven en te Brussel Jan De Middeleer, Charles Hens en Gaston Feremans. Van 1921 tot 1930 was hij directeur van de Stedelijke Muziekacademie te Mechelen, die dankzij De Boeck werd bevorderd tot Stedelijk Muziekconservatorium.Van 1919 tot 1921 was hij tijdelijk inspecteur van het muziekonderwijs in het Vlaamse landsgedeelte.

Als organist was hij werkzaam aan de O.L.Vrouwkerk te Merchtem (1892-1895), aan de Sint-Bonifaciuskerk te Elsene (1894-1920) en aan de kerk van de karmelieten te Brussel (1900-1921). Hij werd verkozen tot corresponderend lid (1920) en tot werkend lid (1924) van de Koninklijke Academie van België en werd Commandeur in de Leopoldsorde (1934). August De Boeck overleed, ten gevolge van een hartaderbreuk, op 9 oktober 1937 te Merchtem, waar hij sinds zijn pensionering in 1930 definitief verbleef. 2

De Boeck schreef niet minder dan 350 composities in alle genres

karikatuur

Drie orkestwerken, zes opera’s, niet minder dan 110 liederen zowel op Nederlandstalige als op Franstalige teksten, 17 cantates, koorwerken, zangspelen, operettes, toneelmuziek, balletten en 50 stukken of bundels voor piano, 6 werken voor orgel, een twintigtal composities voor andere solo-instrumenten. Tenslotte vermelden we een dertigtal werken voor harmonie of fanfare en een veertigtal religieuze werken.